Nada
Kronieken
>>>
Printerversie
<<< Terug
naar index
Thila vertelt
Door 'Running Fox'
Het is 10 juni 1824
en ik ga mijn levensverhaal opschrijven. Dit naar aanleiding
van een visioen dat ik de afgelopen nacht beleefde en waarin
voor de tweede maal in mijn leven de vrouw Nada aan mij
verscheen. Zij raadde mij aan dit te doen voordat mijn leven
op deze aarde ten einde zou zijn. Dat kan niet lang meer
duren, want ik ben erg ziek en moet voortdurend stoppen
om te hoesten. Ik ben nu trouwens helemaal niet bang meer
om dood te gaan, want Nada heeft mij verteld dat ik in de
andere wereld opgevangen zal worden door mijn dierbaren
en dat ik daar ruim de tijd zal krijgen om uit te rusten
van alle ontberingen die ik in mijn leven heb ondervonden.
Mijn naam is Thila Eldern
en het is vroeg in de ochtend. Langzaam zie ik de zon in
het oosten opkomen die de bossen tegen de flank van de Vaalserberg
in een prachtige gloed zet. Ik hou van dit uitzicht, die
mij enigszins doet denken aan de heuvels van Wallonië,
waar ik geboren ben. Die herinnering is het enige dat mij
aan die wereld bindt. Mijn echtgenoot Jochem, die bakker
is in het gehucht Vaalserquartier, vlak bij de grens met
Holland, is in zijn werkplaats bezig met bakken. Jochem
trouwde mij vier jaar geleden. Niet omdat hij veel om mij
gaf, maar hij had - als weduwnaar - een huisvrouw nodig
om zijn bakkerij, zijn kleding en zijn woning schoon te
houden. Om sociale redenen durfde hij niet als ongehuwde
een huishoudster in dienst èn in huis te nemen.
Overigens laat Jochem
zich, nu ik zo ziek ben, van zijn betere kant zien. Hij
heeft een Hollandse dokter ontboden die constateerde dat
ik aan Tuberculose lijdt. De goede man kan overigens niet
veel voor mij doen en heeft mij opgegeven. Bovendien heeft
Jochem er voor gezorgd dat zijn alleenstaande zusters Hannelore
en Madelina bij toerbuurt het huishouden komen doen en mij
zo nu en dan gezelschap houden. Dat is in mijn toestand
een hele opluchting want zelfs het schrijven van deze woorden
kost mij veel inspanning en ik moet vaak stoppen.
Ik heb weer een geweldige
hoestbui gehad en ga maar weer verder met schrijven. Dat
is waar ik mee ben begonnen en ik wil het afmaken ook. Ik
ben op 14 augustus 1769 in het stadje Farciennes in de Zuidelijke
Nederlanden als Thila Labruyère geboren. Ik had vier
broers en een zuster. Zij was mijn lieveling Julie, met
wie ik in mijn jonge jaren altijd samen was. Mijn vader
en mijn broers werkten allemaal in de mijn, bij ons om de
hoek. Omdat moeder aan een hartkwaal leed, moesten wij als
dochters al op jonge leeftijd het huishouden doen. Vanaf
het begin zijn, zoals in heel mijn verdere leven, vóór
mij de keuzes gemaakt en heb ik een leven geleid waarbij
ik altijd afhankelijk was van anderen. Dat was niet altijd
gemakkelijk en niets bereidde me voor op de verschrikkingen
die me met name in 1794 te wachten stonden.
Natuurlijk ben ik de
verschijning op de heuvel nooit vergeten. Wat zei ze ook
weer?
"Ik wil met jullie
praten over Liefde, kinderen. Weet dat er zeer binnenkort
een aantal gebeurtenissen zullen plaatsvinden die het karakter
hebben van haat, afgunst en verdriet." En ook: En ik
raadt jullie aan. Datgene wat zal gebeuren zullen jullie
niet kunnen ontlopen. Maar probeer te allen tijde in gedachte
te houden dat je de Liefde in je hart bewaart, ook en juist
ten opzichte van je vijanden. Geef aan die vijanden mededogen
en maak op deze wijze aan hen duidelijk dat het de Liefde,
de Eenheid en de Kracht van de Goedertierenheid is die uiteindelijk
zal overwinnen."
Ik realiseer me steeds
meer dat wij toen niet echt een idee hadden wat ons te wachten
stond. Bovendien was moeder het jaar daarvoor al gestorven
en opeens, op die vreselijke dag in juni 1794, waren we
zo afgrijselijk alleen dat het weinig had gescheeld of ik
had er een einde aan gemaakt. Slechts de zorg voor mijn
zusje maakte dat ik daar vanaf zag. Drie dagen later, toen
ik thuiskwam van een bezoek aan de pastoor, die mij een
homp brood had toegestopt, ontdekte ik het ontzielde lichaam
van Julie, liggend in een plas bloed op de grond van onze
kleine keuken. Mijn wereld stortte in en ik huilde en jankte
en gilde totdat alles zwart voor mijn ogen was en ik niets
meer wist.
Het volgende dat ik mij herinner was het grijnzende ongeschoren
gezicht van een onbehouwen soldaat die, in een tent, op
mij neerkeek en iets tegen me zei in een vreemde taal. Weer
werd het zwart voor mijn ogen en toen ik weer wakker werd,
was het donker in de tent. Ik keek om me heen en merkte
dat ik op een matras in een hoek lag. In het midden van
de tent bevond zich een veldbed, waarop iemand luidruchtig
lag te snurken. Bang was ik, heel bang en ik moest weer
terugdenken aan de vorige dagen waar was gebleken dat noch
vader noch één van mijn broers was teruggekeerd
naar ons kleine huis. Iedereen in het dorp wist dat er een
zware slag was geleverd bij Fleurus, tien kilometer naar
het noorden en dat er heel veel doden te betreuren waren.
En ja, er moest worden gevreesd, dat geen van mijn familieleden
ooit nog zou terugkeren van het slagveld.
Merkwaardig genoeg had
ik in die tent geen tranen meer. De dood van mijn zusje
en de vermissing van vader en mijn broers leken gebeurtenissen
te zijn die anderen waren overkomen. Was ik immers niet
benaderd door die fantastische vrouw op de heuveltop die
mij had verzekerd steeds nabij te zullen zijn en dat ik
altijd in gedachte diende te houden om mijn vijanden lief
te hebben? Mooie raad was dat. En hier lag ik dan, God weet
waar, in een tent waar een vreemde vent lag te snurken.
Bovendien moest ik vreselijk nodig en was ik geboeid.
Moeizaam stond ik op
om naar buiten te gaan, maar het gerucht maakte de man wakker
en ik hoorde hem 'bonjour' zeggen met een sterk accent.
Ik draaide me om en keek in de bruine ogen van de soldaat.
Ik zei hem dat ik naar buiten moest om mij te ontlasten
en liet hem mijn gebonden handen zien. Hij glimlachte, haalde
zijn schouders op en hij beduidde me met een armgebaar dat
ik mijn gang kon gaan. In moeizaam Frans maakte hij me duidelijk
dat ik niet moest proberen om weg te lopen. Buiten regende
het verschrikkelijk en er waaide een ijzige wind. En dat
in juni. Ik moest hoesten en nadat ik mij, onder de wellustige
blikken van een wachtpost had ontlast, keerde ik snel terug
naar de tent. Ik huiverde, ik had het koud en ik was bang.
Om een lang verhaal
kort te maken, ik bleek in het gezelschap te zijn van een
compagnie Pruisische soldaten die in de grote slag hadden
meegevochten. Er waren een aantal gewonden en Feldwebel
Bachwerder had de leiding over deze haveloze troep. Ik werd
- samen met een ander meisje die Dorette heette en uit Charleroi
kwam - gedwongen om in de behoeften van de manschappen te
voorzien. De eerste keer was een nachtmerrie en alle volgende
keren waren niet veel beter. Bachwerder zelf vergreep zich
nimmer aan mij, maar hij liet het wel toe dat anderen dat
deden. Overdag moesten wij hun kleren wassen en allerlei
andere karweitjes opknappen en bovendien werd ik ziek.
Langzaam trok de compagnie
zich langs de Maas terug naar het Pruisenland. Het weer
bleef verschrikkelijk slecht. Mijn hoestbuien werden talrijker
en heviger. Meer dood dan levend sleepte ik mij, onder de
dreigende blikken van de soldaten, voort. Met elke stap
raakte ik verder verwijderd van de vertrouwde omgeving van
Farciennes en zonk de moed mij dieper in de schoenen. Huilen
kon ik niet. Het was of alles als in een roes aan mij voorbijging
en ik hoopte en bad dat alles zich uiteindelijk ten goede
zou keren. Natuurlijk wist ik dat ik Julie niet meer terug
kon halen maar steeds bleef, tegen beter weten in, de hoop
in mij levend.
Toen we in de stad Huy waren aangekomen, waar we enkele
dagen in het garnizoen op de 'muur' waren gelegerd, werd
het weer beter en knapte ik ook een beetje op. Bachwerder
probeerde mij zijn taal te leren en tegen de tijd dat wij
in Aix la Chapelle (Aachen zeggen ze hier) aankwamen kon
ik een eenvoudig gesprek voeren in de Duitse taal. Madame
Hanna Bachwerder nam mij tegen kost en inwoning als huishoudster
in huis en gaandeweg raakte ik ingeburgerd in het dagelijkse
leven van de grote stad. Het duurde een hele tijd voordat
ik mij enigszins thuis begon te voelen en altijd was daar
die knagende onzekerheid over het lot van mijn familie en
de herinnering aan de vreselijke tijd in Farciennes. Het
was daarom dat ik geen heimwee had naar wat vroeger mijn
thuis was geweest. Want wat zou ik daar aantreffen? Ons
huis zou nu beslist door anderen zijn bewoond. Niemand van
mijn familie was klaarblijkelijk meer in leven - daar raakte
ik langzamerhand meer en meer van overtuigd - en ik wende
aan de gemoedelijkheid in het huis van Heinrich en Hanna
Bachwerder.
Op een dag werd er aan de voordeur geklopt en stond er een
man voor de deur die mij op het eerste gezicht vreemd voorkwam.
In het Frans zei hij: "Bonjour Thila, on est la."
Ik schrok. Was het werkelijk waar? "Pierre", stamelde
ik, "Ben jij het echt?" Wat hadden we veel aan
elkaar te vertellen. Hij bevestigde dat wij de enige van
de familie waren die de slag bij Fleurus hadden overleefd.
Ook hij was gevangen genomen, door de Hollanders, en had
een poos vastgezeten in Delft. Hij was echter ontsnapt en
na veel omzwervingen uiteindelijk weer in Farciennes terechtgekomen,
waar hij van de Mairie het droevige lot van onze familie
had vernomen.
Hij was weer gaan zwerven
en had en passant inlichtingen ingewonnen om achter mijn
verblijfplaats te komen en had mij uiteindelijk gevonden.
Natuurlijk wilde ik dat hij bleef. Trek om terug te gaan
naar Farciennes had ik niet, want daarvoor waren de wonden
te diep, maar Pierre vertelde mij, met een zekere spijt
in zijn stem, dat hij niet kon blijven. Het zwerven was
hem goed bevallen en zodoende was hij in veel steden geweest
en had daar zo de smaak van te pakken dat hij het niet kon
opbrengen, om samen met mij verder te gaan. Bitter bedacht
ik dat hij het wel kon, maar niet wilde en zo gebeurde het
dat Pierre na ruim een maand opnieuw uit mijn leven verdween.
Het was goed geweest om met hem weer in mijn eigen taal
te kunnen praten, maar het was duidelijk dat hij met zijn
gedachten elders was en in zekere zin was het ook een opluchting
toen hij weer vertrok.
Ik keek hem na en toen
hij om de hoek verdween, zwaaide hij nog eenmaal met zijn
zakdoek en ik heb hem nooit weergezien. Ongetwijfeld heeft
hij vele landen, steden en dorpen gezien en bovenal de vrouwelijke
inwoners daarvan.
Hoe dan ook; het leven
zette zich voort. Ik deed het huishouden en in de avonduren
kletste ik tijdens het handwerken met vrouw Hanna. Heinrich
had na de oorlog de dienst verlaten en werkte enkele straten
verder als makelaar in onroerend goed. Hij deed goede zaken,
want hij en zijn vrouw liepen rond in de beste kleren, maar
voor mij was er nooit enig loon weggelegd. De enkele keer
dat ik dat schuchter ter sprake bracht werd mij vriendelijk
doch beslist te verstaan gegeven dat ik blij mocht zijn
dat zij zich over mij hadden ontfermd en dat ik kost en
inwoning genoot en verder toch zeker niets te wensen kon
hebben.
Gedurende al die jaren
bezat ik mijn ziel in lijdzaamheid, tot het moment dat Jochem
Eldern in mijn leven kwam en er zich een omwenteling voordeed.
Jochem was bakker in de stad, maar was na de dood van zijn
echtgenote, ruim een jaar eerder op zoek gegaan naar een
eigen bakkerij en een huishoudster. Hij was ziek van verdriet
over het verscheiden van zijn Mathilde (ook al; mijn doopnaam
is Mathilde), en wilde daarom eigenlijk niet hertrouwen.
Alleen was het sociaal niet aanvaardbaar om met een huishoudster
alleen een huishouden te bestieren. Want hij wilde weg uit
de grote stad om van de herinneringen aan zijn vrouw af
te komen.
Jochem was bevriend
met Heinrich, de oudste zoon Bachwerder, en vroeg op een
dag aan vader Heinrich of die zijn huishoudster - ik dus
- aan hem kon overdoen. Heinrich en Hanna gingen daarover
in beraad en de uitkomst daarvan was, omdat de kinderen
toch al jaren de deur uit waren, dat ik eigenlijk wel gemist
kon worden. Het was van meet af aan duidelijk dat mijn mening,
zoals gebruikelijk, er niet toe deed en zo kwam het dat
Jochem mij in de winter van 1820, in het bijzijn van Hanna
en Heinrich Bachwerder ten huwelijk vroeg.
Ik stond perplex. Op
het eerste gezicht leek het wel of hij echt iets om mij
gaf, en ik stamelde - zonder te beseffen wat dat inhield
- ja. Het huwelijk vond plaats op 20 maart 1820. Natuurlijk
niet in de domkerk, maar in een achteraf kerkje en vrijwel
zonder publiek en in een zelfgemaakte trouwjapon. Hanna
en Heinrich waren aanwezig evenals Jochems ouders en enkele
toevallige passanten, die op het gebeier van de enkele klok
in de houten toren waren afgekomen.
Vanaf nu was ik Frau
Eldern en de volgende dag vertrokken we lopend naar Vaalserquartier,
een gehucht waarvan ik nog nooit had gehoord en dat eigenlijk
een buitenwijk is van Vaals, een stadje aan de andere kant
van de grens. Jochem vertelde mij nooit hoe hij aan dit
adres was gekomen, maar feit was dat hij hier zijn eigen
bedrijf kon runnen en ik was wel zo goed om voor zijn natje
en droogje te zorgen en om de boel schoon te houden. Kortom,
het leven, zoals zich dat in Aken had afgespeeld, werd hier
vrijwel naadloos voortgezet. Het enige verschil was dat
ik nu, als echtgenote, verplicht was om het bed van mijn
gemaal te delen en dat was beslist geen onverdeeld genoegen,
hoewel de man weinig belangstelling voor mijn persoon betoonde.
Dat was ruim vier jaar
geleden. Mijn gezondheid werd er met het klimmen der jaren
niet beter op en de laatste winter die weer heel erg koud
was, zorgde er voor dat mijn hoestbuien, die eigenlijk nooit
echt gestopt waren, opnieuw in alle hevigheid losbarstten.
En nu ben ik aan het eind van mijn leven en kom ik ertoe
om de woorden weer te geven van de vrouw Nada, zoals die
vannacht in het visioen waar ik het eerder over had, tot
mij kwam:
"Dag lieve Thila.
Opnieuw kom ik bij je om met je te spreken en vandaag zal
ik het hebben over een heel mooi verhaal. Het is een verhaal
over vrede met en in jezelf, over Liefde, intelligentie
en over de band tussen hier en daar. Het is zo mooi zoals
jij daar luistert naar mij die tot je komt vanuit een andere
dimensie, waar wij ons heel speciaal gesteund voelen door
jouw inzet. Er is zoveel licht om je heen. Er schijnt een
gouden pilaar van licht vanuit jouw kruin, ver het universum
in, waar het kan worden waargenomen door vele wezens. De
zaadjes van moed, kracht, vertrouwen en vooral van liefde
die gedurende jouw leven door jou zijn geplant, zijn op
grote afstand in het universum voelbaar.
"Het is ook van
betekenis om te weten dat het altijd goed is om hiermee
om te gaan op een wijze die ervoor zorgt dat je innerlijke
reinheid wordt verheven tot een graad van perfectie die
je in staat stelt om datgene met je leven te doen wat je
er, voordat je in dit leven kwam, van verwachtte. Om te
beseffen dat het goed is om eerlijk voor jezelf en voor
anderen te zijn. Het is ook van belang om te trachten de
zuiverheid van geest en lichaam naar een hoge graad van
perfectie op te bouwen, om zo tot innerlijke verrijking
van je sterfelijkheid te komen en bijgevolg van je onsterfelijke
ziel. En dat lieve Thila, heb jij onbewust gerealiseerd.
Ondanks alle beproevingen die jij in je leven hebt doorstaan,
heb je steeds mijn boodschap in je hart bewaard. Vrede met
jezelf, ondanks alle aanvallen van jouw vijanden. En dat
ten opzichte van iedereen. En daarvoor ben ik, en zijn wij
je ontzettend dankbaar.
"Je bent van meet
af aan steeds getrouw geweest aan de wetenschap dat God
van je gevraagd heeft om de Goddelijke vonk in jezelf te
erkennen en voort te gaan naar de vervulling van datgene
wat voor de vooruitgang van jouw en van ieders ziel van
werkelijk belang is. Je hebt altijd de gedachte levend gehouden
dat je nimmer datgene zou willen doen wat je jezelf ook
niet aangedaan zou willen worden. Dat bracht liefde in je
eigen leven zodat je liefde hebt gebracht in de levens van
anderen. Door steeds voort te gaan op het pad die je hebt
ingeslagen, ben je zonder dat je het besefte, een gelukkig
mens geworden. En toch zul je nog veel gelukkiger worden,
maar dat zal zijn in het andere leven waartoe je thans bent
geroepen.
"Altijd heb je
door het geven van een glimlach, aan anderen onbaatzuchtige
waarden meegegeven. Door het brengen van vreugde in het
leven van anderen, door je te gedragen als een mens die
zelf vreugde in het leven heeft en die vreugde over heeft
om door te geven aan anderen, heb je dat, hoewel meestal
onwillekeurig, daadwerkelijk voor elkaar gebracht. Het was
niet altijd gemakkelijk, zeker niet in tijden dat je ziekte
de kop opstak en wanneer je twijfelde en onzeker was. Maar
ook dan, en evenzeer juist dan, heb je je rekenschap gegeven
van de liefde die je voor anderen en voor mens en dier,
hebt ervaren. Een liefde die je zelf hebt ondervonden op
de spaarzame momenten dat je de euforie van het geluk hebt
kunnen proeven.
"Voor dit alles,
lieve Thila, danken wij jou, omdat je ondanks alles er bijna
voortdurend in geslaagd bent om de boodschap die ik jou
dertig jaar geleden bracht, daadwerkelijk in de praktijk
hebt kunnen brengen. Nogmaals zeg ik je dat Ik weet dat
je dat niet altijd gemakkelijk is afgegaan, want jouw aardse
lichaam liet je veel te vaak in de steek en velen hebben
dat lichaam niet gerespecteerd en daarom Thila, ben je nu
zo moe en zo ziek. Wij uitnodigen je daarom uit om dit moede
lichaam af te leggen. Het zal echter goed zijn voor jou
om in enkele regels, in jouw eigen woorden, verslag te doen
van alles wat zich in deze dertig jaren heeft afgespeeld.
Het zal anderen kunnen helpen om met dezelfde moed, moeilijkheden
en tegenslagen die zij op hùn weg tegenkomen, het
hoofd te bieden en ze te laten beseffen dat het ook voor
hen uiteindelijk de liefde, de vrede en het licht zal zijn
die zal overwinnen. Spoedig zullen wij jou komen ophalen,
lieve Thila, en jouw moeder Agnes zal er zijn en natuurlijk
ook je zus Julie om je op te wachten en om jou in de armen
te sluiten.
"Ik dank je, lieve
Thila, voor dit waarde-volle leven en thans beveel ik je
aan in de Liefde van God de Vader."
Dat was gisterennacht.
Het was een heel verhaal en het verbaast me dat ik in staat
ben om het bijna woordelijk weer te geven. Toen ik al die
loftuitingen hoorde was ik stiekem toch wel een beetje trots
op mezelf omdat ik me niet had gerealiseerd dat ik het er
blijkbaar toch nog wel een beetje goed van heb afgebracht.
Feit is dat ik de woorden van deze vrouw uit 1794 nooit
ben vergeten en ik realiseer me nu dat ik blijkbaar onbewust
het zaadje dat zij toen in mij plantte, heb laten ontkiemen.
Weer had ik een enorme
hoestbui. Erger dan alle anderen en ik ben zo moe dat ik
niet verder meer kan schrijven. Maar dat hoeft ook niet,
want het verhaal is verteld. Ik vouw nu de papieren op en
leg ze onder mijn kussen, waar Jochem ze zal vinden. Voor
de dood ben ik niet bang meer en ik verheug me zo op het
weerzien met mijn lieve Julie.