Nada
Kronieken
>>>
Printerversie
<<< Terug
naar index
Vijf Meeuwen
Door 'Running Fox'
Ik zit op een bankje
op de boulevard van een grote stad en heb het bijzonder
naar mijn zin. Ik kijk uit over de brede trechtervormige
riviermonding en gedurende geruime tijd geniet ik op mijn
gemak van licht, lucht en water. Het is werkelijk een fantastisch
schouwspel. De wisselingen van de vele kleuren. Groen, blauw,
rood, bruin, grijs en wit. En alles daartussen in. Tergend
langzaam verwordt de vloed tot eb. Ik kijk naar het trage
voorbijkomen van de grote vrachtschepen. Naar het silhouet
van steden en nederzettingen aan de overkant van het brede
water. Naar het nijvere heen- en weer varen van de loodsboten.
Ik raak er maar niet op uitgekeken.
Voor mij op de balustrade, op een afstand van ruim twee
meter, landt een kolossale stormmeeuw. Na een tijdje wordt
het duidelijk dat het dier in afwachting is van enig lekkers
dat ik bij me zou kunnen hebben. Enigszins nerveus trippelt
hij of zij heen en weer en zo nu en dan richt hij een kraaloog
naar mij om te zien of er nog wat van komt.
Ik sta op en doe een
paar passen naar voren en steek voorzichtig mijn hand haar
kant op. Wanneer de meeuw ziet dat zich daar niet in bevindt
wat wordt verwacht, slaakt ze een meeuwenkrijs en trippelt
enigszins aangebrand een metertje verderop, waar ik er niet
bij kan komen. Zij maakt mij duidelijk dat ze niet van grapjes
is gediend en blikt enigszins bozig mijn kant uit.
Ik haal mijn schouders
op, ga maar weer zitten en ga door met waar ik mee bezig
was. Het turen in de verste verten en het beschouwen van
de dingen waar ik zo mee bezig ben. En dat is aangenaam
want ook het weer is aangenaam en langzamerhand verlies
ik mij in de tijd en kom ik meer en meer in een staat van
innerlijke reflectie, zodat de bubbel waarin ik mij bevindt
zich gaandeweg uitbreidt, waardoor tenslotte de meeuw als
het ware deel gaat uitmaken van deze uitgebreide bol van
energie.
"Ook goedemorgen",
zegt de meeuw, nog steeds een beetje pissig, tot mij. Ik
schrik op. Zoiets had ik niet echt verwacht.
"Goedemorgen meeuw", antwoord ik. "Het was
niet mijn bedoeling je te kwetsen. Ik wilde alleen maar
contact maken, maar het is me nu duidelijk dat ik het niet
op de juiste manier deed".
"Dat kun je wel zeggen, vriend. Nogal ontactisch. Jullie
mensen hebben nog heel wat te leren. Dat valt me iedere
keer weer op".
"Dat is natuurlijk zo", antwoord ik de meeuw die
inmiddels weer wat dichterbij is gekomen. "Maar geef
ons nog wat tijd en we leren het allemaal wel".
"Hmmm", bromt de meeuw en schakelt over op een
ander onderwerp. "Mooi uitzicht hier, vind je niet?
Als je van hieruit over de riviermonding kijkt, geeft het
een beetje de illusie als van het uitzicht dat wij vogels
zien als wij van bovenaf de wereld gadeslaan. Dit extra
perspectief dat je hier ziet is voor jullie landrotten nogal
uitzonderlijk, moet ik zeggen".
Het is duidelijk dat
het humeur van het dier aan het verbeteren is en hoopvol
zeg ik: "Zo, dat is interessant. Tja, wij hebben daar
grote machines voor nodig om het van boven te kunnen bekijken.
Jullie kunnen het op eigen kracht." Ik probeer hem
een beetje te paaien. "Zo zie je maar weer dat jullie
soort in vele opzichten superieur zijn aan ons."
"Ho ho", zegt de meeuw, die nog steeds heen en
weer trippelt maar toch zichtbaar verguld is. "Zo is
het niet helemaal. Niets en niemand is superieur aan iets
of iemand anders. We doen het allemaal op onze eigen manier.
We hebben allemaal onze eigen-aardigheden en we hebben ook
allemaal onze goede kanten. Jullie kunnen weer beter lopen
dan wij en zo is elk schepsel op zijn eigen wijze bezig
om het paradijs op aarde te scheppen.
"Paradijs eh". Ik val stil, want ik weet niet
zo gauw wat ik moet zeggen. Maar de meeuw gaat verder.
"Tussen twee haakjes,
je kent me wel; ik heet Nada, en ik nodig je uit om met
mij mee op reis te gaan. Er is iets wat ik je heel graag
wil laten zien".
Ineens ben ik helemaal wakker. "Nada, natuurlijk. Op
reis, waarheen, hoe, wat, wanneer". Mijn brein is ogenblikkelijk
een chaos en weer weet ik niet wat ik moet zeggen.
"Je hoeft niet zo te schrikken hoor. Het is allemaal
nogal eenvoudig. Je vliegt gewoon met me mee en dan zal
ik je het een en ander laten zien. We gaan nu meteen. En
je bent op tijd terug voor het eten, dat beloof ik je. Je
had voor mij wel niets, maar reken maar dat ik voor jou
wel iets heb".
Het volgende moment
merk ik dat ik ook op de balustrade sta, oog in oog met
Nada, die mij vriendelijk en bemoedigend toeknikt. Tot mijn
verbazing zie ik dat ik nu ook een meeuwengedaante heb aangenomen.
Ik ben nu ongeveer even groot als zij en vol verwachting
klopt mijn hart. Wat zal ik allemaal te zien krijgen?
"Sta nu niet te
talmen, vriend, sla je vleugels uit, dan kunnen we beginnen."
En zo vangt een wonderlijke reis aan die mij vele dingen
leert en die mij al-tijd bij zal blijven. Eerst steken we
de riviermonding over naar de overzijde en we vliegen over
akkers en weiden, over dorpen en steden. We zien de rivieren
en de kanalen, de wegen en de paden en allengs wordt het
weer steeds helderder en kan ik meer en meer gewaar worden
van alles wat zich beneden mij afspeelt. Ik zie de mensen
hun land bewerken; ik kijk naar anderen die op weg gaan
om hun dagelijks brood te verdienen en ik begrijp dat sommigen
belangrijk tegen elkaar lopen te doen. Het is allemaal nogal
verwarrend.
"Ja, ja",
zegt Nada tegen mij. "Op het eerste gezicht lijkt het
dat al die mensen vooral met hun zeer aardse dingen bezig
zijn. Maar toch, onder de oppervlakte heerst er bij het
grootste deel van hen toch een begin, een aanzet tot Vrede.
Het is een groot goed wanneer een schepsel in staat wordt
gesteld om door zijn eigen innerlijke krachten te beleven
dat de eenheid van alles wat een ziel heeft de grootst mogelijke
waarde heeft en dat wanneer wij ons dat herinneren het mogelijk
wordt voor allen om die eenheid te ervaren en aldus liefde
te zijn."
Ik knik. Zo had ik er
nog niet over nagedacht. Maar Nada heeft nog meer te vertellen.
"Liefde is het woord dat steeds terugkeert maar dat
vaak zo moeilijk te bereiken is; ook en vooral voor mensen
en andere zielen die zich op de planeet Aarde bevinden.
Jullie leven - en daarvoor heb je gekozen, en daarvoor zijn
wij jullie oneindig dankbaar - in een toestand van versluiering
en die hoedanigheid maakt het weer mogelijk om de keuzen
die je maakt een zodanige kwaliteit te geven dat je er ook
van leert. Er is geen goed of kwaad. Alleen het goed of
kwaad dat jij als zodanig ervaart heeft die waarde meegekregen.
En dat leidt er weer toe dat mensen zich zo vaak tegen elkaar
keren, terwijl het voor ieder persoonlijk beter zou zijn
om zich mèt elkaar te ver-zoenen. Dan zullen jullie
in staat zijn om te beleven wat wij zojuist hebben beleefd,
de Eenheid met ons Meeuwen-beeld. Want eigenlijk is dat
Evenbeeld niets anders dan God/Godin/Bron. Want ieder we-Zen
is een deeltje van God/Godin/Bron en aldus is het mogelijk
om de Liefde en de Eenheid der dingen te ervaren."
Tja, dat is natuurlijk
waar. Als tijdelijke meeuw zijnde, heb ik diep in Nada's
ogen gekeken, en wat ik daar zag heeft zij zojuist voor
mij verwoord. Ik raak hoe langer hoe meer onder de indruk.
Maar we gaan verder en verder en tenslotte is het land afgelopen
en vliegen we over een bijna eindeloze zee. Over een oceaan.
Zo nu en dan passeren wij een schip, maar allengs wordt
dat steeds minder en tenslotte vliegen wij - het lijken
wel uren - alleen maar over zacht golvend water dat niet
door wat dan ook wordt onderbroken. Maar opeens is daar
een zwart stipje aan de horizon dat, terwijl we die kant
uit vliegen, geleidelijk groter wordt.
Als we dichterbij komen
zien we dat het een klein eiland is dat als een kegel boven
de golven uitrijst. Op de top van het eiland staat een wit
tempelachtig gebouw in een ommuurde tuin. Tot mijn schrik
zie ik dat het hele gebouw in brand staat. De muur, de tuin,
het grootste deel van het huis. Alleen de deuropening en
een halve cirkel daarvoor, zijn nog vrij van het allesverzengende
vuur. In de deuropening staan een man met zijn zoon voor
hun in lichtelaaie staande huis. Ze wenken naar ons.
"We moeten ze redden",
schreeuw ik tegen Nada, die knikt. Inmiddels zijn er nog
twee of drie andere meeuwen verschenen en voorzichtig dalen
we tot vlak bij het bezorgde tweetal in de deuropening.
We blijven zweven om het duo onze hulp aan te bieden. Dat
weigeren ze echter, kalm en waardig en derhalve gaan we
weer omhoog om ons uit de hitte terug te trekken. Maar we
blijven stand-by om, wanneer het kritiek wordt, toch in
te kunnen grijpen.
We stijgen nog iets
verder zodat de omgeving van het huis en de tuin geleidelijk
zichtbaar worden. Het blijkt nu dat het huis aan de top
is gebouwd van een grote terrasvormige stad. Alles staat
niettemin onder water in deze enorme maar zeer rustige oceaan
van helder blauw doorschijnend water. Slechts de contouren
van de stad zijn daarom zichtbaar, de oceaan en het brandende
huis.
Beetje bij beetje rijst
de waterspiegel en in een laatste "krachtsinspanning"
stort het water zich over de brandende muren heen en vrijwel
onmiddellijk zijn alle vlammen gedoofd.
We dalen weer. De wateren
trekken zich terug en het wordt tenslotte duidelijk dat
het huis onaangetast is door de metershoge vlammen. De vader
en zijn zoon staan naar ons te zwaaien. Ze zijn gered. En
ze wisten en hadden vertrouwen dat dit zou gebeuren en wilden
- ook in tijden van doodsnood - niet wijken voor het vuur.
Zij vertrouwden op en geloofden in de allesomvattende liefde
van de blauwe oceaan…
Uitbundig feliciteren
we vader en zoon met hun redding die kalm en vreedzaam ons
en hun omgeving bekijken. Blijkbaar was hun vertrouwen grenzeloos.
Dan zegent de Vader ons. We zijn ontroerd en we gaan opnieuw
ons weegs. De drie meeuwen die ons blijven vergezellen blijken
Magda, Moira en Myriah te zijn. Oude bekenden, dat wel.
Ik begroet deze drie prachtige zielen uitbundig en terwijl
we verder vliegen evalueren we wat zich op het brandende
eiland heeft afgespeeld.
Nada neemt als eerste
het woord: "zoals jullie hebben gezien, is niets wat
het op het eerste gezicht lijkt, wanneer bekeken vanuit
een onoverzichtelijk standpunt. Alles wordt pas duidelijk
wanneer er afstand genomen wordt en je het juiste perspectief
bezit. Dit geldt voor alles wat zich in het leven afspeelt."
"Dat is zo, antwoordt Magda: "maar ik wil ook
benadrukken dat ik het prachtig vind dat vader en zoon zo'n
oneindig vertrouwen hadden in de purificatie van het vuur
en de liefde voor en het vertrouwen in dát wat het
alomtegenwoordige water van de blauwe oceaan voor hen kan
betekenen. Heling in al zijn facetten."
Ikzelf doe ook een duit in het zakje: "en dan is de
aanwezigheid van alle elementen ook veelbetekenend: water,
de oceaan; vuur, de brandende tempel; aarde, de halve cirkel
onaangetaste grond voor het huis; lucht, vanwaar het geheel
kan worden overzien, en ether waardoor wij, als potentieel
reddingsteam, konden voelen wat zich in de hoofden van de
vader en zijn zoon afspeelt.
"Ja natuurlijk", valt Moira bij: "Ik heb
een gemakkelijke; als de nood het hoogst is, is de redding
nabij."
"En toch", brengt Myriah te berde, "moet
het mogelijk zijn om het geheel vanuit een nog verhevener
standpunt te bekijken; ongetwijfeld zullen zich dan steeds
weer nieuwe perspectieven ontvouwen. De uitzichten vanuit
het hogere zijn schier onbeperkt. Bovendien wil ik er op
wijzen dat ook onze Moeder Aarde bij dit alles betrokken
is. Het eiland en de zee maken ten slotte deel uit van Haar
Tedere Aanwezigheid."
"Waaruit maar weer blijkt", beaam ik, "dat
het aantal conclusies wat uit deze episode te trekken valt,
zo goed als oneindig is".
Langzaam wordt het duidelijk
dat dit het laatste woord is want voorlopig zegt niemand
meer iets en gaat onze tocht verder. Opnieuw doemt er land
op en geleidelijk wordt het donker en in het oosten kunnen
we zien dat de zon zich in prachtige kleuren achter de horizon
verliest. Nu zien we de lichten van de mensen en grote stukken
donker land onder ons verschieten en steeds maar weer begrijp
ik op wat een prachtige planeet ik het voorrecht heb te
mogen leven. Vanuit de hoogten ben ik in staat om de droombeelden
van het mensdom te begrijpen en meer en meer wordt ik vervuld
van ontzag, eerbied en respect voor deze prachtige schepping,
die inderdaad van tijd tot tijd zuivering behoeft, maar
die in we-Zen zo schoon en zo puur is. Zo nu en dan is de
balans zoek en moeten we met ons allen proberen om die terug
te vinden en met vereende krachten en soms met een duwtje
in de rug van het hogere, heb ik er vandaag alle vertrouwen
in dat het eens gaat lukken. Die gedachte maakt me zielsgelukkig.
Een voor een nemen onze
metgezellen afscheid en buigen af naar hun respectieve bestemmingen
en geleidelijk kom ik weer terug op deze aarde en bevind
ik mij weer in het hier en nu op mijn bank bij de riviermonding.
Nada bevindt zich weer
vlak bij me op de balustrade. Dit keer heb ik een korst
brood in mijn hand die ik naast haar op de rand leg. Dit
is de maaltijd waarop zij zat te wachten. Ze pikt de korst
op, knikt me toe en in een geweldige zwenking klimt ze in
de vleugel en vliegt, na nog een rondje boven mijn hoofd
te hebben gevlogen, de vermiljoenen zonsondergang tegemoet…
Ik Ben Dankbaar.